RSS

Monthly Archives: December 2014

Publishing

Publishing.
It’s a thing. A big thing. Always has been.
Even though the bar has been lowered down to below sealevel due to publishing agencies no longer having the monolpoly on good stuff.
It’s still not something everybody does.
OK, better put: does right.
It being made possible for everyone intelligent enough to push a few buttons on the internet, doesn’t make you a great writer. You have to be able to know how to sell. If you’re only good at the writing part, then that’s unfortunate.

Something that I’ve noticed while setting up some of the ‘necessary’ online accounts, is that being writer, or rather, to become a writer, has become different with the use of internet and particularly, social media.

You need to be known to sell book. You don’t have to be a great writer to sell, you have to be known.
People are desperate to know your face, what you’re about, if you tuck your Nan in at night, if you eat politically correct, if you have any aspirations being the best Guitar Hero in the world.
Of course, I’m exaggerating. It’s just that I’ve noticed that ever since the big publishing offices have made a big downfall because of the POD-possibillities (Print On Demand, accessable for and to anyone), the quality of most works have made the same fall.
Walking in a bookstore has become a rareness, finding a pearl of good words hidden within the sheets of a book even more.
What astonishes me more though, is the fact that where it was formerly the Big Industry of Books, it now has become a sport to suck writers dry of their talents and success by small companies.
In England and America, you need to have an agent. Without an agent, not even the smallest company will touch your manuscript, take a serious look at it. Agents cost money. People smell money. They know they can live of the money that someone else is worth on their behalf. The good old ‘I’ve discovered him/her, so I should get money’.
I must say I’m quite disgusted by how many small companies have risen due to publishers no longer being the headmaster of publishing, but a whole new segment of the market has found its way to the shore that calls itself publishing.

For a writer this means that nothing has changed much.
S/he still has to pay a lot of money to get anything done. Being talented is for free. They way of proving this to the world is not.
The only thing that has changed, as far as I can see, is that an agent will tell you if you’re talented enough to even invest in yourself that way. A publisher won’t give you feedback.
There’s loads of websites where you can find courses to learn how to write better, how to improve the letter you mean to send to a publisher. You can enter a competition to at least earn some kind of audience.
BUT:
None of them are free. None. They all cost.
Claiming this is to keep a level of quality. That it’s necessary to keep the level of quality up that they claim to have.
Meanwhile, critisms and reviews are still expected to be for free. I don’t buy it.

 
Leave a comment

Posted by on December 29, 2014 in Books, Opinion

 

Tags: , , , , , ,

Computers

Volgens mij was ik een jaar of 8, 9 toen de eerste computer mijn leven binnenwandelde. In mijn moeders armen, door de voordeur.
De computer was voor haar werk bestemd, beschikte over WordPerfect en had, na verloop van tijd, de beschikking over verschillende spelletjes.
King’s Quest en nog een Quest. Dat waren de belangrijkste voor mijn broers en hun kornuiten.
Mijn eigen favoriet was ‘snake’. Dat bleef ik stug door spelen, ook al lagen mijn zus en haar vriend op dat moment te vozen en was me al verschillende malen gevraagd of ik niet op kon duvelen. Nee, dat kon ik niet.

Hoe dan ook, op mijn elfde voltooide ik mijn cursus Blind Typen. Zo kon ik mijn verhaaltjes eindelijk in uitgeprinte vorm bezitten. Die verhaaltjes zijn uiteindelijk grotendeels verloren gegaan, maar man wat had ik een plezier met die elektronische tekstverwerker!
Toen kreeg ik met Sinterklaas een oude bak in mijn bezit. Kon alleen WP (geen spelletje). Dat was ook het enige wat ik wilde.
Ik was zo enthousiast dat ik tot drie keer toe bijna het beeldscherm door liet branden. Bang dat een gedachtegang, het waard te worden opgeschreven, als zand door m’n hand weg zou glijden als ik ‘m niet onmiddellijk op zou schrijven. De computer moest aan zijn zodra ik in de buurt kwam. Toen moesten computers uit, uit veiligheidsoverwegingen. Hoewel computers nog immer beter uit kunnen zijn, is de reden na die jaren veranderd.

Computerprogrammeurs hadden het indertijd en een stuk makkelijker en een stuk moeilijker tegelijk.
De oplossingen voor voor de hand liggende problemen waren makkelijker op te lossen als je de commando’s maar kende.
Tegenwoordig leiden query’s en wizards je door allerhande installatieprogramma’s heen. Net zolang tot het programma wat je geïnstalleerd hebt het doet. Of tot je toch echt de helpdesk moet bellen. Omdat de computer weigert. Klereding.
Een vriend van me was ooit werkzaam bij een helpdesk. Hij vertelde soms over zijn werkzaamheden. Dat was wisselend van ‘okee, kan gebeuren’, tot het betere werk. Waarbij je meteen iets te vertellen hebt op feestjes.
Zo werd hij eens gebeld, en na zijn gebruikelijke vraag ‘staat de computer aan?’ (omdat hij na ruim 5000 telefoontjes wist; het was ECHT nodig om dat te vragen) kreeg hij als antwoord ‘ja, het lampje brandt’.
Toen de volgende vraag ‘is het beeldscherm ook aan?’ waarop er een vertwijfeld antwoord terugkwam ‘dit IS het beeldscherm, heb ik nog iets anders nodig dan?’ en hij zich af begon te vragen wie er nu in de war was.
‘Wacht, uw computer wil niet aan, of het beeldscherm wil niet aan?’ vroeg hij nu.
‘Wat is het verschil?’ werd er gevraagd aan de andere kant van de lijn.
‘Nou, u heeft naast een computer ook een beeldscherm nodig’, verduidelijkte hij.
‘Oh. Ja, ik heb die van mij op een rommelmarkt gekocht’, begon de wat onzekere stem nu, ‘ik heb zo’n beeldscherm, maar niet iets anders, heb ik dat ook nodig dan?’ en oprecht verbaasd was dat hij z’n lachen niet meer in kon houden.
Dat waren nog eens tijden.

I think I must have been about 8 or 9 years old, when the first computer came dribbling into my life. In my mothers hands. Through the front door.
The computer was for her work, had WordPerfect on it and, after some time, a few games.
Kings Quest and another Quest. Important to my brothers and their peers.
My own favorite was Snake. I would keep on playing it, even when my sister and her boyfriend were having their business and had repeatedly requested for me to leave. I decided I couldn’t.

Anyway, by the time I was 11 I completed my course of Blind Typing, to thereafter print out every story I had and keep them with me forever.
Those stories have been gone lost after all. But I had fun with the electronic word processor!
So much fun that I eventually got my own word processor.
This machine only had WP. All I really wanted. It was perfect.
I was so enthusiastic that I -up to three times- almost burned the screen of the computer.
That was when I was afraid of losing a great idea, worth to be written down, like sand through my fingers.
The computer had to be switched on as soon as I was around. That was when computers had to be shut down. Even though computers are still best shut after use, the reason has changed after years.

Computer programmers had a much more easy task and a harder task back then.
The cure for problems were much easier to reach if you knew the right command.
These days queries and wizards will lead you through any kind of installationprogram. Until the program properly does it’s work. Or until you are indeed required to phone a helpdesk. Because your computer refuses every cooperating.
Which leads me to the story of a friend. Employed at a helpdesk. He told about his daily work.
He was phoned one day. After his customary question ‘is the computer switched on?’ (because after over 5000 phonecalls he knew: he HAD to be sure, not assume).
He got the answer ‘yes, the little light is on’. Then the next question ‘is the screen on aswell?’ to which the confusing answer was:
‘This IS the screen, do I need something else?’ and he began to wonder who was confused here.
‘Hold on, your computer won’t start, or your screen won’t turn on?’ he now wondered.
‘What’s the difference?’ was the reply on the other side.
‘Well, you do need a screen next to the computer’ he clarified.
‘Oh. Well I bought mine at a fleamarket’, the now insecure voice went on, ‘I do have a screen, but nothing else. Do I need that then?’ it was the first time he couldn’t end a phonecall without laughing quite hard.
Those were the days.

 
Leave a comment

Posted by on December 28, 2014 in Humour, Technology

 

Tags: , , ,

Uitzendbureaus / Temp agency

Het is crisis.
Ik solliciteer me suf. Al jaren.
De markt zou aantrekken.
Ik reageer op alles wat los en vastzit. Dat vinden werkgevers niet leuk. Die willen gemotiveerde mensen voor hun niche. En hebben ook maar vast bedacht dat wie op alles reageert, daar niet onder valt.
Het zal u verbazen, werkgevers van Nederland, hoe gemotiveerd kansloze werklozen zijn. Dat is iedereen boven de 18. Fijn dat ‘voor een dubbeltje op de eerste rij zitten’ het motto schijnt te zijn.
Ondertussen is het landschap in uitzendland ook ernstig veranderd. Kon je voorheen prima via het uitzendbureau je werkervaring wat opkrikken, zo lastig is het nu.
Toen ik als 18-jarige mijn diploma SPW4 op zak had, stapte ik het eerste beste Randstad Uitzendbureau in mijn stad binnen en schreef me in. Nadat de nodige paperassen onder m’n neus waren geduwd, ik mijn diploma had laten zien, paspoort, bankpas, en alles van een krabbel was voorzien, had ik de dag erop volgend werk.
Naar huidige begrippen rap te noemen.
Ik kreeg een week lang elke dag een telefoontje waar ik me nu weer mocht komen melden om een dienst te draaien. Daarna stapte ik over op vast werk in dat werkveld.
Zo geschiedde.
Ik had werk. Perfect.

Dan solliciteren anno nu…
Internet staat strak van de vacatures. Werkelijk strak.
Uitzendbureaus bellen je niet meer, jij moet de site maar checken. Je hoeft het woord ‘vacature’ maar in een zoekmachine te tikken en je beeldscherm braakt een lijst uit waar menig anorexia-patiënt jaloers van wordt.
Bovenaan de sites die vacatures voor je verzamelen. Nutteloos. Geen van die ‘verzamelsites’ wordt namelijk bijgehouden. Toch zijn net die sites de eerste die je ziet.
Dankzij de mogelijkheid om je bovenaan te kopen in die zoekmachines tegenwoordig.
Zucht.
Voordat je door die meuk heen bent (beeld je even in dat je in zee zwemt en eerst door een aantal meter plastic zakken, flesjes, zeewier en kwallen heen moet worstelen), ben je het spoor van de vacature waar je aanvankelijk naar zocht al lang en breed kwijt.
Fijn.
In uitzonderlijke gevallen stuit je op een vacature waarvan je denkt: dit is me op het lijf geschreven. Meestal is het namelijk ‘vooruit, dat kan ik ook wel. Denk ik’.
In zo’n geval druk je op de misleidend getitelde ‘solliciteer direct’ knop, ergens onderaan.

Dit is de bitch onder de knoppen.

Er is in geen enkel geval sprake van ‘direct’.
‘Direct’ is als je een slagaderlijke bloeding hebt en een arts je arm afbindt met het eerste beste wat-ie tegenkomt, zo je leven redt.
Dat is ‘direct’.
Dit is zoiets als de ‘algemene voorwaarden’ moeten doornemen voordat je op ‘OK’ klikt. Maar dan wel andersom: zou je ze even allemaal ter plekke zelf in willen vullen AUB?
De bijbel overtikken gaat sneller.
Want denk niet dat het stopt bij het gewoonlijke ‘naam en adres’. Ondanks dat alle sites een aparte ‘box’ hebben om je CV te uploaden, kan je beter een foto van je moestuin uploaden. Of van je oma.
Je moet je gehele CV namelijk alsnog invullen. Ik ben nog geen site tegengekomen die uitlegt waarom ze EN je CV willen EN dat je die daarna alsnog over de vele verschillende balkjes en knopjes verdeeld.
Enfin. Invullen dus.
In een tijd waar je aan alle kanten gewaarschuwd wordt dat het invullen van je paspoortgegevens, ID-kaart, bankpas en wat al niet meer, uitsluitend is weggelegd voor de Belastingdienst en Overheden, wordt je door deze sites toegang geweigerd als je die gegevens niet invult.
Is een uitzendbureau dan de Belastingdienst of een Overheid?
Nee. Gewoon, nee.
Het gaat hier namelijk over een vacature. Niet over een contract. Maar zonder het invullen van deze gegevens kun je ook niet solliciteren via de ‘solliciteer direct’ knop.
Daarnaast vind ik het raar dat de werkgever zijn mogelijk toekomstige werknemer WEL in bek mag kijken (hij weet nu waar je huis woont, je bed slaapt, je bank huist, je burgerlijke staat en je gezinssamenstelling), maar andersom niet. Sterker nog, de vacatures zijn vaak uiterst vaag over het bedrijf waar het om gaat. ‘Een van de grootste Zorgverzekeraars van Nederland’, staat er dan. Wie dan, of wordt dit een soort ‘Blind Date’?
Het is wel vaak net of je solliciteert in een Dark Room. En dan niet het soort waar foto’s worden ontwikkeld (ik zeg het maar even).

It’s a crise.
I have been jobhunting. For years.
Supposedly things are getting better.
I respond to anything and anyone. Employers don’t like that. They want motivated people for their niche.
It might surprise you, employers, how motivated chanceless unemployed people are. That’s everybody over 18 years of age. Employers like to pay zit for sitting front row.
Meanwhile, the landscape in temp-agencyland has severely changed, too. Before, one could step into a temp agency to simply gain some work experience. It’s far more difficult now.
When I got my degree in Children’s Daycare I    walked into one of those temp agencies and enrolled.
After filling out a pile of papers being passed by, showing my degree, filling out taxpapers, my financial details and so on, I had work the next day.
For a week I received a phonecall daily to tell me where I could work for that day. After that, I went for a steady job in that same workfield.
I had work in no time. Perfect.

Then jobhunting now.
Internet is loaded with job vacancies. Really loaded.
Temp agencies no longer phone you, you have to check the website. All you have to do these days is type in the words ‘job vacancies’ in any search engine and your screen barfs a pile of links that would make an anorectic jealous.
Amongst those links, sites which gather job vacancies for you. Quite useless, as most of these sites aren’t even a little up to date. Their place on your page?
On top.
Before you’ve gone through all of those links (which is like swimming in the ocean, having to pass through plastic bags, bottles, jellyfish and god knows what), you’ve lost track of the job vacancy you were after.
Nice.
In exceptional scenarios, you stumble upon a vacancy that’s actually suitable, right up your alley and so on.
Most of the time it’s more: ‘Ok, let’s do this. I can, really. I think’.
In cases like that, one pushes the misleading button ‘apply now’, somewhere down the page.

It’s the bitch of buttons.

There is no ‘apply now’.
‘Now’, would be, if you suffer from an arterial bleeding and a doctor immediately rips something to shred to safe your life.
That’s ‘now’.

This is more, having to read the ‘terms&conditions’before clicking ‘OK’, but then the other way around. You have to type it down yourself, at that moment, please?
Typing down the bible will be less time consuming.
Because don’t think it’ll stop after ‘name and address’. Even though all sites have a seperate box that says ‘upload resume’, you might aswell upload a picture of your vegetable garden. Or your grandma. 
You have to fill out your resume after that anyway. No idea why.
I haven’t encountered a site that actually explained WHY you have to upload AND your resume AND fill it out over all the millions of fields on display.
Anyway. You do that.
In a time where one is warned quite often that copying a passport, bankpasses, ID-cards or anything like that, isn’t for anyone but the Taxes or Governmental institutions, you’re not able to use these websites without that info.
Is a temp agency a tax Office?
No. Just, no.

This is a job vacancy. Not a contract. Without filling out the information to these questions, you cannot apply for the job through this ‘apply now’ button.
I find it very odd that a perhaps future employer CAN know everything about his/her perhaps future employee (he now knows where your house lives, your bed sleeps, your bank gives money, your marital state, the size of your household), but you -regularly- don’t know anything about him/her. As the vacancy is usually very vague about that: ‘One of the largest Care companies in the country’. So, which one is it then? Or are we on a Blind Date here??
Often, it’s like applying for a job in a Dark Room. And not the kind that develops photographs (just saying).

 
Leave a comment

Posted by on December 24, 2014 in Daily life, Opinion

 

Tags: , , , , , , , ,

Stonehearst Asylum

Deze film vertoond verdomd veel overeenkomsten met ‘QUills’. Aanvankelijk vond ik daardoor de verhaallijn zelfs bijzonder saai.
Want wederom wordt het gekkenhuis door de komst van een nieuwe arts verblijd. Deze keer is dat Edward Newgate (Jim Sturgess). Hij maakt kennis met Silas Lamb (Ben Kingsley) en met Eliza Graves (Kate Beckinsale) en hun verdere team.
Michael Caine, die in Quills nog een asylum runde en daarbij wat onorthodoctisch te werk ging volgens Joaquin Phoenix, zit in deze versie in de kelder vast als gevangene. Als Edward Newgate hem en zijn ‘medegevangenen’ op een avond vindt, weten ze hem te overtuigen dat niet Silas en zijn mannen, maar zij de oorspronkelijke leiding van het asylum zijn. Benjamin Salt (Michael Caine) vertelt Edward waar hij zijn notitieboek heeft verstopt.
Edward Newgate gaat op zoek naar het notitieboek, terwijl het leven in het asylum vrolijk doortettert.
Vooral geen medicijnen toedienen, kijken naar de patiënten en ze daarbij vooral met rust laten. Als Edward het notitieboek eenmaal gevonden heeft, wordt een en ander meer duidelijk.
Desondanks sappelt het verhaal enigszins door, lijkt te blijven hangen. Edward wint hier en daar vertrouwen bij alle betrokken partijen. Ondertussen steeds meer elementen uit Quills.
Edward die zich verliest in Eliza, haar moet overtuigen van zijn goede bedoelingen. Dan brand (alweer hetzelfde als in Quills) waarbij het gehele asylum betrokken raakt.
Dan de clou. Die maakt dat je denkt: had Hollywood Quills maar nooit (eerder) gemaakt. Wel goed dat Michael Caine zich voor deze versie heeft laten strikken.

This film shows more than some resemblences to ‘Quills’. Because of this, I had trouble watching it with my full attention.
Because once again the asylum is being greeted by a new doctor. This time it is in the person of Edward Newgate (Jim Sturgess). He becomes acqainted with Silas Lamb (Ben Kingsley) and Eliza Graves (Kate Beckinsale) and the rest of their team.
Michael Caine, who was running an asylum in Quills and was slightly unorthodox in his way of doing so according to Joaquin Phoenix, is thrown in the cellar as a prisoner in this version. When Edward Newgate finds him and his fellow prisoners one night, they convince Edward that not Silas and his fellows, but themselves are the original team of the asylum. Benjamin Salt (Michael Caine) tells Edward where he has hid his notebook.
Edward goes in search of this notebook, while life continues its merry way at the asylum.
No medication is being given, just observing the patients and leave ‘m be. If Edward finds the notebook, a lot more becomes very clear.
Nevertheless the story continues a bit dull for that moment. Edward gains the trust of everyone involved. Meanwhile, more and more elements from Quills pop around the corner. A man dressed as a lady, a man who gets away with everything, no investigations after serious injuries.
Edward who looses his heart to Eliza more and more, has to gain her trust most of all. Then a fire (again, same as in Quills) in which all of the asylum gets involved.
Then the clou. Which makes you think: Hollywood should’ve made THIS film first, or Quills not at all. Excellent job of Michael Caine of getting involved for this one!

 
Leave a comment

Posted by on December 19, 2014 in Films, Opinion

 

Tags: , , , , , , ,

De trouwring/ the weddingband

Trouwdag.
In de volgauto’s stappen Floor (getuige bruid), Kees (getuige bruidegom), Els (vriendin van Kees), Simone (vriendin van de ceremoniemeester, die in een andere auto zit) en Pien (vriendin van de fotograaf).

Floor en Kees checken de trouwringen. Floor bewonderd de doos die Kees speciaal voor dit doel handgemaakt heeft. Een tamelijk groot ding, formaat kleine schoenendoos.

Houtbewerking is Kees zijn vak. De doos is gelakt en prachtig versierd met symbolen.
In de doos zit een losse plank, in feite een dienblad. In dat dienblad zitten twee kleinere doosjes naast elkaar als mini-schilderijtjes, met sleufjes. In die sleufjes presenteren de ringen zichzelf.

Prachtig vakmanschap.
Floor doet de ring om die straks de ringvinger van haar vriendin zal sieren. Zo’n ‘goh, hoe-zou-dat-mij-staan?’ momentje.
En dan gebeurd het: bij het terug in z’n sleufje doen drukt ze te hard.
De ring zit nu IN het presenteerdoosje.
Floor probeert het doosje open te maken.
Dat lukt niet. Haalt dan het doosje uit het plankje, houdt ‘m ondersteboven, van die dingen die je dan automatisch probeert.
Dat helpt niet.
‘Oh help’, begint ze, ‘Kees, hoe doe ik ‘m open?’ vraagt ze dan. Kees kijkt verbaasd, die heeft niet opgelet of er iemand zat te rommelen met zijn prachtige knutselwerk. Hij zit achter het stuur en let zodoende op de weg.
‘Ja, dat kán niet!’ roept hij paniekerig.
‘Maar die ring zit nu IN het doosje!’ piept Floor.
Paniek.
‘Maak dat doosje gewoon even open, Kees!’ zegt zijn vriendin Els nu. Op kleuterjuftoon, alsof het onwil is van Kees’ kant.
‘Ja, dat kan niet, ik heb die doosjes helemaal dicht gelijmd!’ brult deze, zowel van het zenuwachtige lachen als van zich verder ontwikkelende paniek.
Floor houdt het doosje nogmaals ondersteboven. De opgesloten ring gaat nu plat aan de binnenkant liggen.
‘Geef eens?’ vraagt Els met een uitgestrekt arm vanaf de andere kant van de achterbank.
Floor geeft het doosje aan Els, terwijl nu ook bij Pien (achterbank) en Simone (bijrijderstoel) gespannen hilariteit losbarst. Die zijn allang blij dat het hún schuld niet is.

Els schudt eveneens aan het doosje. De ring schudt vrolijk mee, maar is bepaald niet van plan om uit z’n schuilplek te komen.
‘We gaan toch geen ‘Four Weddings and a Funeral’-achtige situaties krijgen hier he?’ vraagt Floor zich af.

‘Hey Floor, jij hebt van die waanzinnig grote oorbellen, zullen we even vissen?’ stelt Els dan voor.
‘Hmm, het is te proberen’, antwoordt die, terwijl ze een van de inderdaad enorme oorbellen (straal 5 cm) uit haar oor haalt.
‘Dan moet straks wel even iemand helpen met ‘m weer in doen hoor!’
‘Help ik wel mee’, zegt Els, die geconcentreerd de oorbel in het doosje steekt, op zoek naar de ring.
‘Haha, beetje of je een baby ter wereld helpt met een tang’, giechelt Els.
‘Ik vind het meer ringsteken’, doet Kees een duit in het zakje.
‘Rij jij nou maar de goeie kant op’, mompelt Els, als Kees bijna de berm in rijdt.

Met een minuut of vijf is de ring weer boven water.
‘Goed, dat was leuk’, stelt Kees met zijn voorhoofd vol zweet en achter het stuur.
‘Nu blijft verdomme iedereen met z’n fikken van m’n doos af!’
‘Beloofd’. Niemand durfde er meer aan te komen.

De bruid en bruidegom werden pas uren later op de hoogte gesteld. Het werd de grap van de dag.

Weddingday.

In the car following the happy couple are Fiona (maid of honor bride), Barry (best man of groom), Linda (girlfriend of Barry), Simone (wife of master of ceremonies) and Jo (wife of photographer).

Fiona and Barry are taking a glance at the weddingbands. Fiona admires the box that Barry has made specially for the occasion. It’s a rather large box, size small shoebox.

Carpentry is Barry’s trade. The box is beautifully completed with symbols and varnish.
Inside the box (when you open the top) is a loose shelf. In that shelf the weddingbands present themselves in smaller boxes, as if they’re mini paintings. It truly looks gorgeous. Barry knows his trade well.

Fiona tries the weddingband that will shine on her friends’ finger later that day. A little ‘what if?’ moment, if you will.

Then it happens.

While pushing the ring back in its slot, she pushes too hard.
The ring is now INSIDE the little box. Fiona tries to open the box. That doesn’t open.
Then she takes out the box, keeps it upside down. That doesn’t seem to work either.
‘Oh help’, she says, ‘Barry, how do I open the box?’ she then asks. Barry, who hasn’t been paying attention to anyone touching his works, is a bit shocked.

‘Yes, wel that’s just not possible’, he says, a bit surprised.

Panic.

‘Just open the box, Barry!’ Linda says in a kindergarten teacher tone, as if he’s not to be taken seriously.
‘That isn’t possible, as I glued the boxes tight to close!’ he yells in anxiety and frustration.

Fiona turns the box upside down again. The ring now lies flat on the inside of the box.

‘Can you give it to me?’ Linda asks from the other side of the backseat.
Fiona hands it over to Linda, while Simone (front seat) and Jo (backseat middle) nervously laugh.
They’re just glad they are not the ones to blame.
Linda also shakes the box. The ring merrily rattles along, but isn’t going anywhere else.

‘We not going to have our own “Four Weddings and a Funeral”, no?’ Fiona is starting to panic even more.
‘Fiona, you’ve got some massively big earrings. How about using one as a fishing rod?’ Linda proposes.
‘Hmm we could try that, I suppose, but I do need help to put it back in!’ Fiona agrees.
‘I will help’, Linda says, taking the earring of Fiona. She looks concentrated as she’s looking for the ring.
‘Haha, bit like taking a baby into this world with forceps’, she giggles.

It takes about five minutes, then the weddingband is back into it’s original spot.
‘Alright, that was fun’, Barry says with sweat gushing from his forehead, back and hands.
‘Now everyone stay the fuck off my box, understood?!’
‘Yes sir!’ nobody dared touching the box.

The bride and groom weren’t notified until hours after the ceremony. It then became a laughstock.

 
Leave a comment

Posted by on December 19, 2014 in Daily life, Humour

 

Tags: , , , , , , , , ,

Verzameldrift/ Collecting spree

Ik heb de kunst bij familie afgekeken. Dat begon destijds bij mijn oma. Haar huis was, hoewel netjes, een verzameling van verzamelingen. In de hal werd je begroet door een open hangkast met kleine doosjes erin, in de kamer hingen aan een stukje wand haar handtasjes in allerlei vormen en maten, roddelbladen onder de koffietafel, chocoladerepen in een heus delicata-rekje en in een glazen vitrinekast was haar verzameling schildpadjes te bewonderen.
Overigens was dat de enige verzameling die zich ook buiten die uitgestalde plek uitbreidde. Hoewel ze bij ons thuis werd aangeduid met haar achternaam voor het onderscheid, was haar algemene familienaam ‘Oma Schildpad’. Op weerszijden van het ijzeren hek voor het huis sierden eveneens schildpadden. Van steen.
In de achtertuin liep haar verzameling rond in viervoud. In een groot open hok, met een overdekt gedeelte voor de nacht. Ernaast een vijver met een verzameling kikkers, die altijd werden buitgemaakt door hongerige reigers, zoals oma vertelde. Ik heb het nooit zien gebeuren. Ze had, in een poging om dat te voorkomen, op een goed moment zelfs een nep-reiger bij de vijver gezet. Ik vond dat ding zo geweldig dat ze vond dat ik ‘m mee mocht nemen. Thuis zette ik ‘m onder een boom waar ik met mijn broertje graag in mocht klimmen.
Zo raakte ze wel meer zaken kwijt. Uitlenen aan kleinkinderen is niet de beste manier om zaken netjes te houden. Zeker niet als de kleinkinderen onder de 10 jaar zijn.
Hoe dan ook: het verzamelen breidde zich uit. Eerst in vreemde munten sparen (van oma afgekeken, binnen een maand mee gestopt), toen luciferdoosjes (van tante afgekeken, binnen een maand mee gestopt), toen bonnetjes die ik uit de krant knipte (spontane actie, na een dag mee gestopt), toen in sokken sparen (gestopt toen de la vol zat), stenen (van tante afgekeken, na 1 sessie mee gestopt) en zo nog een hele berg aan ‘dingetjes’. Weliswaar vond ik verschillende onderdelen van andermans collectie erg mooi, eigenlijk liep ik dan weer gewoon niet zo warm voor het zelf bij elkaar harken.
Jaren later pas, begon ik met mijn eigen verzameling. Toen had ik al van verscheidene zaken meer in mijn bezit dan absoluut noodzakelijk was en dus kamp ik ook al van jongs af aan met ruimte tekort, maar afgezien daarvan: toen kwam internet erbij. Het leuke van internet is dat je verzamelingen kunt delen. Je kunt elkaar de ogen uitsteken, maar ook simpelweg laten zien wat jou precies tot je verzameldrift leidt. Je kunt bij een kring postzegelverzamelaars zitten, die allemaal een andere beweegreden hebben voor het verzamelen en dus ook achter andere zegels aan gaan.
Het enige wat het toch een beetje sneu maakt af en toe, is dat je soms denkt ‘mijn god, wat een kneus, wie interesseert zich daar nou weer voor?!’ om dan wakker te worden geschud met het onmiddellijk volgende ‘och jezus, ik ben er ook zo een…’

I’ve copied the way of collecting from other familymembers. That started with my grandmother at the time. Her house was, although quite neat, almost a collection of collections. In the hallway it started with a big wall cupboard filled with small boxes, in the livingroom a piece of wall was decorated with handbags in wide range of shapes and sizes, gossipmagazines in a big basket under the coffeetable, chocolatebars in a rack especially made by the factory, and in a glass display cabinet her collection of turtle-related items.
Moreover that was the only collection that spreaded outside it’s borders. Even though we referred to her at home by her last name, she was generally known as ‘grandma Tortoise’. On both sides of the front gate of her house, there were stone tortoises, too.
In her backyard, her collection walked free in fourfold. In a big cage, with a roofed part for the night. Next to that a pond with a collection of frogs, who were always looted by hungry herons, as grandma said. I’ve never witnessed it happening. She had, in an attempt to avoid it, placed a fake heron next to the pond. I loved that thing so much she let me keep it. At home I placed it next to a tree that my little brother and me were quite fond of to climb in. I think she may have lost more then just a few collectable items. Lending them to grandchildren isn’t the best way for a collection to survive. Especially not if those grandchildren are below 10 years of age.
Anyhow: the collecting spread it’s wings. First it was coins (because grandma did it, cancelled that within a month), then matchboxes (because my aunt did it, cancelled within a month), then cutting out coupons from the newspaper (spontaneous action, done after one attempt), then collecting socks (stopped when the drawer didn’t wished to be fed anymore), stones (because my aunt did it, stopped after one session) and a lot of other attempts. Although I did like parts of collections of others, I didn’t really feel like going through any trouble for those specific ‘things’ myself.
Years after all those false attempts, I stumbled upon my own collectable. By then I already had more of certain things than one absolutely needs in his/her household, which basically means I’ve always been in short of space. Anyhow: then internet got involved. The fun thing about that is: you can share your collection with others. You can make others envy you for what you have, but also simply point out what brings you to collect whatever it is that you do. You could, for instance, be part of a circle of stamps collectors, who all collect different stamps for different reasons.
The only thing that makes all of that a bit pathetic or sad, is you sometimes think ‘my god, what a total nerd, who would be interested in THAT?!’ to realize about a second and a half later ‘oh my god, I am the SAME!’

 
Leave a comment

Posted by on December 17, 2014 in Uncategorized

 

Broer en zus / Brother and sister

Kareltje en Bente zijn buren waar ik regelmatig op pas. Ze zijn beiden enig kind, de ene 4 jaar, de andere 6 maanden. Omdat de ouders er geen bezwaar tegen hebben, combineer ik de twee adressen een paar keer. Kareltje moet uit school gehaald worden, terwijl ik die dag al op Bente pas. Met de wandelwagen halen Bente en ik Kareltje dus uit school, waarbij hij op het meerijplankje van de wagen gaat staan. Kareltje probeert al snel om Bente te vermaken, haar hier en daar eens op te pakken als ze is omgevallen en hij vindt dat kleine schattige meisje maar wat leuk.
Dat hij toch niet helemaal begrijpt hoe het nu zit, blijkt als hij op een dag eerst de vader van Bente meedeelt:
‘Ik kan best Bentes’ grote broer worden, want ik kan haar al heel goed tillen en ik kan haar ook aan het lachen maken!’ waarop die glimlachend toegeeft dat dat inderdaad de juiste Grote Broer-kwalificaties zijn. Als zijn moeder hem dus even later komt halen volgt de andere vuurproef:
‘mamma, mag ik Bentes’ grote broer worden?’ gelukkig is die meelevend ingesteld en reageert met:
‘natuurlijk mag dat, lieverd!’
Kareltje huppelt diep gelukkig met z’n moeder mee naar huis.

Charlie and Bente are neighbours I babysit regularly. They are both only child, one of them being 4 years, the other one is 6 months. Because the parents have no objection, I combine the two families a few times. Charlie has to be collected from school, while I am with Bente all day. With the stroller, Bente and I come to collect Charlie, who can stand on the little step of the stroller.
Charlie quickly tries to amuse Bente, picks her up when she fel down and he finds the little girl very nice to be with.
It turns out he doesn’t completely understand how things work when he tells the father of Bente:
‘I can be Bentes’ big brother, because I can pick her up really well and I can make her laugh!’ to which he’s being smiled at and told those are indeed the right Big Brother-qualifications.
When his mother comes to pick him up, the other challenge is met:
‘mamma, can I be Bentes’ big brother?’ thankfully, she’s compassionate with her little boy and she responds:
‘Ofcourse you can, dear!’
Charlie hops off home, deeply happy, with his Mom in tow.

 
Leave a comment

Posted by on December 8, 2014 in Daily life, Humour

 

Tags: , , , , , , , , ,